Pelgrimage naar Lowlands

Geschreven door Chris op 22 augustus 2013


Een lange rit van stilstaan en langzaam geschuifel in een chaos van onbeschoft verkeer bracht mijn moeder tot een wanhoopsdaad. Festivalgangers stonden als militairen op een rij en vuurden hun kanonnen in volle glorie af en presenteerden een eigen Aquanura terwijl mijn moeder innig wenste dat ze uit haar lijden verlost zou worden.

Dat haar urine uiteindelijk van de heuvel afstroomde – door bos en dikke takken – was eerder een noodzaak dan iets anders. Maar toen haar blaas haar inhoud verloren was, reed mijn moeder opgelucht de polder uit terwijl wij met toegeknepen ogen de horizon aankeken en met meer bagage dan goed voor een mens is een wandeltocht van bijbels formaat inzette. Het leek een ware bedevaart voor de popcultuur van drank, drugs en artifarti blotenvoetenlopers en schapendoezen.

Dronken van vermoeidheid trotseerden we de zanderige wegen van de polder op weg naar Camplight to Lowlands Paradise. Het zilte en zure zweet droop naar plekken waar ik nog nooit nat was geweest. De ontiegelijke pijn in mijn onderrug deed me de rest van de wereld vergeten waardoor ik argeloos een bruin spoor van chocolademelk achter me liet. Maar de misère van de eerste dag was pas echt compleet toen de wit gevleugelde azijnpissers hun behoefte op de diehards (wij dus) loslieten.

Schouders aan schouder, kruis aan kont stonden we vrijwillig te genieten van het regenwater dat overvloedig tussen elke gleuf stroomde terwijl we tijdens het schuifelen door grote klonten pusserende bagage omver geslagen werden en de geur van modder, bier en nat gras nog lang op onze neusvleugels bleef branden.

Zo jong en gewillig als we aan deze reis begonnen, zo oud en afgepeigerd voelden we ons naar mate de poorten van het paradijs naderden. Mijn geest dwaalde af naar verre oorden, weg van die roze parasol die moedwillig elke tien seconden een poging deed mijn ogen uit te steken. Alsof ik niet visueel gehandicapt genoeg ben.

Soms heb je van die dagen dat je gelukkig bent, de zon straalt als een gebleekt sterretje en de lekkerste muziek speelt. Zo’n dag dat je denkt: nu zou ik vredig kunnen sterven. Draag mij maar naar mijn graf. Vandaag was het niet zo’n dag, absoluut niet. De wallen onder mijn ogen lichtte op door de bliksemschichten die uit de donderwolk boven mijn hoofd schoten en met moeite onderdrukte ik de agressiviteit die wel eens tot rampzalige gevolgen zou kunnen leiden als de mensen om mij heen zich niet gedeisd zouden kunnen houden.

De alomtegenwoordige drugs – die zo goedmoedig gedoogd werd door de organisatie – wilde ik het liefst door de strot van de met glitter bezaaide paardenbek douwen omdat hij met zijn rotkop er niet over op kon houden. En het oranje gevaarte van pusserende bagage dat mij herhaaldelijk omver gekeild had, wilde ik met grof geweld als een lawinepijl afschieten zodat ik ruim baan kon maken voor mijn persoonlijk tocht naar de ingang. Wat een godsgeschenk zou dat zijn.

De schuifelmarathon die in menig Stephen King thriller al lang in een bloedbad was geëindigd, kwam – teleurstellend – zelfs na de poorten van deze popcultuurhemel niet in een stroomversnelling. De brug die anders symbool stond voor progressie en snelheid leek nu eerder op een enorme zwerende embolie, een dikke bloedprop die voor veel drama zorgde.

Als er nog enige kracht in mijn armen huisde, had ik mijn koffer met inhoud op de menigte getorpedeerd en mij de rest van de week op hun verbrandde vleesresten gevoed. Deze vastgelopen ader moest eens goed gedotterd worden. Helaas was de werkelijkheid bikkelhard en wierp ik mij met tegenzin als een crowdsurfer in de menigte en sleurde mezelf de brug over. Kauwabangaaaaah!

Een lange nasleep van mul zand, nat gras en wielverstoppingen zorgde voor een lange lijdensweg naar de eindbestemming die zo zorgvuldig was uitgekozen maar eigenlijk na zo’n uitputtende dag totaal niet haalbaar was voor iemand zoals ik. Daarom stortte ik uitgemergeld en afgepeigerd ik ter aarde in district vier waar ik mijn verlies omarmde en de dood zou vinden.

Verdwaald tussen realiteit en fictie dwaalde ik als een schim van wie ik ooit was over de geasfalteerde wegen van het kamp. Uit de platgetrapte graszoden was een nieuwe stad van canvas en tentzeil opgerezen die makkelijk kon doorgaan als een district van Panam. Een explosie van hoge nood rukte mij los van mijn fantasieën en waanbeelden en bracht mij terug in de keiharde realiteit. Ik rende, ik rende hard.

Het voelde alsof ik tijdens mijn pelgrimage naar het nirwana van popmuziek een mensenleven aan last bij mij had gedragen en ik was dringend op zoek naar verlossing. Een enorme last viel uiteindelijke van mij af toen ik mijn lul uit mijn broek haalde en de wc-pot eens flink kennis liet maken met de realiteit.

Als het kon had ik hem naar de hemel gericht en die wit gevleugelde azijnpissers eens een flinke koek van eigen deeg gegeven. Helaas is zwaartekracht nog hardnekkiger dan karma – zeker bij personen als ikzelf – dus stortte ik mijn hele blaas uit en was het even 1953 in de wc-pot. Het kon mij eigenlijk ook allemaal niet meer schelen. Ik was waar ik wilde zijn en in plaats van de horror te vervloeken besloot ik met vriendelijkheid mijn tent op te zetten. Weet je hoe mindful.

Waarom karma de volgende dag nog steeds de tyfus aan mijn had, zal ik wel nooit achter komen. Misschien omdat ik die vervloekte regenbui-regelaars azijnpissers heb genoemd. Ze konden wat mij betreft allemaal de tering krijgen, zeker toen mijn tentstok als een twijgje doormidden brak en de tent als een mislukte gelatine pudding in elkaar zakte.

Maar zoals het motto op Lowlands luidt: alles is te repareren met duct tape – dus ook karma. Nu zit ik droog in mijn gerepareerde tentje en ik troost me met de gedachte dat de boel weer overeind staat en dat hoe lang de azijnzeikers hun werk ook doen, ik lekker droog kan blijven klagen.


Plaats een reactie

Velden gemarkeerd met een * zijn verplicht