Lekker, lekker

Geschreven door Chris op 14 juli 2011


ISTANBUL – Na een onrustige nacht vol moskeegejank werden we boven verwachting uitgerust wakker in onze enorme Turkse bedden. Vooral Maaike genoot van haar bed, ze lag immers op een echt Tempur matras. Dat zijn van die matrassen die zich naar je lichaam vormen en als je woelt in bed pas je niet meer in de vorm die achterblijft en ligt het bed dus voor geen meter. Kortom, het bed was niet geschikt voor mijn slaapgedrag. Ik draai me minstens veertig keer om voor ik uiteindelijk in slaap val.

Een uurtje nadat de wekker afliep zaten Maaike en ik in de groteske ontbijtzaal van het hotel. De ruimte was aangekleed met geveinsde luxe. Gasten konden de zaal betreden via de lift of de prominente wenteltrap. In het trapgat hing meterslange kroonluchter die van de begane grond tot aan de kelder reikte. De linkerzijde van de zaal stond in het teken van het ontbijtbuffet. Je kon er van alles krijgen, van jam tot aan versgebakken omeletten en diverse soorten sap. Er was te veel keuze. Gelukkig wisten wij al gauw wat we wilden hebben en konden we rustig plaatsnemen. Links en rechts van ons zaten de sprekende boerka’s met hun mannen. Van alle kanten werd er naar ons gestaard. Maaike voelde zich enorm beloerd, alsof we de paria’s van Istanbul waren.

De geheimzinnigheid van de boerka leverde aardig wat gesprekstof op. Wie zou er schuilgaan achter dat zwarte laken? Waarom zou een vrouw ervoor kiezen zich zo te kleden? En niet onbelangrijk: waarom kiezen ze er in vredesnaam voor in een dik zwart gewaad te lopen terwijl buiten de meeste toeristen hun T-shirt al moeten uitwringen vanwege de brandende hitte. Trek dan in ieder geval een lichtkleurige boerka aan! Het gewaad was vooral een punt van irritatie, omdat je niemand goed in de ogen kan kijken. Het schept een afstand en een vorm van onbereikbaarheid. Maaike wilde graag een Turk interviewen zodat ze de onderdrukking van de vrouw wellicht beter begrijpt.

Op deze eerste volledige vakantiedag wilde we de Blauwe Moskee bezichtigen. In het Mini Capitool hadden we de route uitgestippeld en het leek ons goed te doen. Onze eerste halte was de Grand Bazaar. Tenminste, als we daar zouden aankomen. De zon brandde stevig op ons dak terwijl we door de straten van Istanbul liepen. We hadden de universiteit nog niet gepasseerd of we waren de weg al kwijt. Nergens stond aangegeven hoe we naar de bazaar moesten lopen. Na een stukje eigenwijs doorlopen besloot ik toch de kaart te pakken. Eén blik op de kaart en ik wist genoeg. We keerden om. Via een paar zijweggetjes kwamen we uiteindelijk op de Grote Bazaar.

De binnenkomst was meteen een enorme tegenvaller. De Grand Bazaar leek eerder op een verpauperd winkelcentrum met aftandse winkels, dan een bruisende markt – een bazaar – met allerhande koopwaar. Gelukkig bleek het enigszins mee te vallen toen we een klein stukje doorliepen. Links en rechts werden goederen aangeboden: theesetjes, notitieboekjes, waterpijpen, kleding en natuurlijk Turkish Delight. In een van de vele kraampjes stonden kleine geleurde doosjes, ingelegd met glimmende steentjes. “Ooooh, die heeft Roos ook.”, riep Maaike enthousiast toen ze de doosjes zag. Zelf wilde ze graag een mooie theepot. Eentje die je ooit nog wel eens zou willen gebruiken. Eentje waarvan je denkt: Ja! Dat is nou echt Turks. Maar die tegelijkertijd eigenlijk gewoon te westers voor woorden is, anders past ie niet bij de rest van het interieur en pieker je er niet over om er thee uit te schenken voor je gasten. Dus eigenlijk moest Maaike gewoon naar de Bijenkorf, maar dat wist ze op dat moment nog niet. Voor een paar vrienden van mij probeerde ik geschikte cadeautjes te zoeken. Kopen deed ik ze niet, want we zouden op een andere dag nog naar deze bazaar terug gaan. Op dat moment wisten we nog niet dat we de bazaar niet meer terug zouden zien.

De kaart had ons verteld dat we via een uitgang van de bazaar zo rechtdoor konden lopen naar de Blauwe Moskee. Dat moest niet al te moeilijk zijn. Buiten gekomen liepen we via een vrij steile weg van kinderkopjes de heuvel af. Voorzichtig slopen we stukje bij beetje de weg af, maar er was nog geen zicht op de moskee. Ook de straatnamen kwamen mij niet bekend voor. Het was me allemaal vreemd. Maaike drong er op aan dat ik de kaart moest pakken, maar ik wilde met mijn eigenwijze kop doorlopen. Na enkele meters zag ik ook wel in dat doorlopen geen zin had en als we terug moesten, dat we dat beter halverwege de heuvel konden doen, dan als we al beneden stonden. Dus ik pakte de kaart weer. De straatnamen kon ik nergens op de kaart vinden. Waren we nu echt de weg kwijt? Elke zijstraat in de buurt zocht ik op, maar ik kon er geen vinden. Totdat ik een klein bordje zag, links van ons en daar stond een herkenbare naam op. We liepen de juiste richtring op. Tenminste… als we de goede uitgang hadden genomen. Dus ik kon de rolstoel weer de heuvel opduwen, terug naar de bazaar. Sjok, sjok.

Opnieuw in de bazaar vroegen we ons af welke uitgang we dan moesten hebben. Het interieur begon steeds meer op een labyrint te lijken. Waar was dan toch de juiste uitgang? De tijd was gekomen om een hulplijn in te schakelen. Aan de jongeman – aan de kant van het pad bij een willekeurig terras – vroegen we de weg. Hij wist ons te vertellen dat we alsmaar rechtdoor moesten en dan aan het einde linksaf. We volgde zijn advies op en vonden inderdaad een andere uitgang. Buiten scheen de zon volop en keken we recht tegen een moskee in de steigers. Op het plein stond een dikke Turkse man met een smoezelig shirt een kar met broodjes voort te duwen. Het rook verrukkelijk, maar ik kon mij inhouden. Ik wilde het risico niet nemen ziek te worden van zo’n bacteriebron. Het wordt immers ten strengste afgeraden voedsel op straat te kopen. Dus dat deed ik dan maar niet. Ik had al genoeg horror verhalen gehoord in mijn omgeving. Mijn scriptiebegeleider had een keer zijn handen niet gewassen en zat vervolgens de halve vakantie op de wc. En dat was niet omdat hij de Donald Duck nog moest uitlezen. Nou, lekker joh!

We vervolgde onze weg langs de steigers. Vanachter de bomen doemde een heel ander Istanbul op. De Boerka’s verdwenen als sneeuw voor de zon en een westers volk deed zijn  intrede. De cultuurshock van de dag ervoor ebde weg en maakte plaats voor een gevoel van thuiskomen. De straat waarin we liepen deed me erg denken aan een zijstraat van Londen of New York, al was het alleen omdat er aan de linkerkant een Starbucks stond. Nee hoor, de gehele ambiance had wel iets weg van deze prachtsteden. Om ons vocht op peil te houden besloten we iets verkoelends te nemen. Maaike nam plaats aan tafel en ik liep het café binnen. Achter de balie stond een man met een groen schort en al gauw bleek dat hij van Engels weinig kaas gegeten had.

“Do you have something cold to drink like an Iced Tea or a Smoothy?”
“Cold?”
“Yes, with Ice.”
“Ice Coffee?”
“No! Something Fruity.”
De man keek me met een onbegrijpende blik aan. “Fr…?”
“Fruity!”
De man schudde zijn hoofd.
Zucht. “Strawberry, Mango, Apple, you know fruit!”
“Fruit?”
“Yes! Fruit.” Ik wees naar een bord met een smooty-achtig drankje erop.
“Ah.” De man lachte.
“What kind of flavours do you have?”
Weer schudde de man zijn hoofd.
“Flavours. Taste.”
“Oh. Raspberry? Mango?”
“Ah! Mango, please.”
Uiteindelijk werd het iets dat een ijsbrouwsel was van Mango en Raspberry, maar het was wel heerlijk.

Ons doel was nog steeds niet bereikt. Het was inmiddels al rond het middaguur en er was nog geen zicht op de Blauwe Moskee. Als we op dit tempo door zouden gaan, dan zouden we vrij weinig zien van Istanbul. Naast deze wereldberoemde moskee moesten we in ieder geval nog het Topkapi Paleis zien. Dat was ons streven. En zwemmen natuurlijk. O,ja en ook de Hagia Sophia. En ook nog dat archeologisch museum. En ook nog het Europa Ford. Ooooh, we zouden tijd te kort komen. Nou, eerst maar de moskee en dan zien we wel weer verder. Na wat ongemakkelijke straten kwam eindelijk de Blauwe Moskee in zicht (ik kan de reis door die vreselijke straatjes wel beschrijven maar daar heeft echt niemand wat aan. Ze waren steil, rommelig, we moesten stoep op en af en het was tering heet. Dus je kan je wel voorstellen dat het geen pretjes was. Maar ik zeik en zeur al genoeg in mijn vakantieblogs, dus dat gaan we nu eens niet doen). Ons geklungel zette zich voor in een klein stadsparkje. Met een hoop gedoe liepen we een steile helling af naar de grote weg. Met mijn All Stars had ik weinig grip en ik was constant bang dat ik naar beneden zou donderen en Maaike op haar achterhoofd zou vallen. Het stelde echter niets voor met de trap die we beklommen hadden in Parijs, maar het bleef gevaarlijk.

De Blauwe Moskee lag er mooi bij met zijn (of haar) zes minaretten. De moskee was omringt met groen en oogde indrukwekkend. Tegenover deze moskee stond de Hagia Sophia. Het was echt zo’n pleintje waar meteen alle bezienswaardigheden aan lagen. Ogenschijnlijk georganiseerd door de gemeente Istanbul e.o. Lekker makkelijk voor de toeristen. Even met de bus naar het pleintje, een fotootje links en een fotootje rechts, en ze kunnen thuis vertellen dat ze Istanbul hebben gezien. Zo’n pleintje was het. Je komt ze wel vaker tegen in grote steden. Rome stikt er ook van. Het was daarom ook niet gek dat we omringt waren door touringcars en andersoortige bussen. Tourist hotspot number one. The place to be.

De Hagia Sophia zag eruit als een verroeste oude pan. Zo’n vies bruin vormloos oud ding. We vonden het beide niet de moeite waard van dichtbij te bekijken. Cultuurbarbaren, dat waren we. Het kon ons niets schelen. Toch moest het moment vastgelegd worden. Vijftig achterlijke foto’s verder waren we op weg naar hetgeen waarvoor we gekomen waren, de Sultan Ahmed. Normale gebouwen ga je binnen via de ingang, maar bij de Blauwe Moskee niet. Toen we dat probeerden kwamen we namelijk niet heel ver. Een man verwees ons naar de zijkant, want daar was een ramp. Een Britse ramp, dus gewoon een schuine loopplank. Dus weer stoepje af en stoepje op. Alsof we dat niet al genoeg gedaan hadden. We moesten door een smalle straat met kinderkopjes. Gelukkig liep het pad recht. Links, aan de kant van de straat stonden een paar kraampjes. Als laatste zat een eenzame jongen vanuit zijn rolstoel papierenzakdoekjes te verkopen. Waarom zou hij daar zitten? Waar waren zijn ouders? En waarom verkoopt hij papieren tissues en niet iets dat beter verkoopt, zoals flesjes water? Het hield me bezig. Hoe konden ze zo’n arme jongen zo op straat zetten? Mensen met een functiebeperking vind ik niet zielig, maar dit voelde niet goed. Maar misschien had de jongen wel heel veel plezier in het verkopen van deze zakdoekjes. En waarom zouden we dat dan van hem afnemen? Had ik maar een snotneus gehad. Dan was hij ook blij geweest.

Aangekomen bij de ramp merkte ik dat ik toch wat te weinig gegeten had. Voelde me slap in de benen en licht in het hoofd. Ik stuurde Maaike op pad om wat foto’s te maken terwijl ik van een broodje genoot. De moskee zag er mooi uit vanaf de zijkant en ik was benieuwd hoe het er aan de binnenkant uit zou zien. Na een broodje en wat koekjes ging het al stukken beter. Met de rolstoel wachtte ik onderaan de ramp, hopend dat het volk op de helling zou doorlopen. Op het moment dat ze bijna boven waren nam ik een aanzet en scheurde in een ruk de helling op, zo naar boven. Onderweg werden we nog nagekeken en een moeder moest haar kind opzij trekken, maar het voordeel was dat ik weinig moeite hoefde te doen boven te komen. Maaike haalde vast de sjaal uit haar tas om zich te kunnen bedekken.

Vanaf de zijkant keek een Turkse vrouw denigrerend en hoofdschuddend Maaike’s kant op. Alsof een rok dragen in de brandende hitte een van de hoofdzondes was. Zelfs toen ze zich bedekt had, was het voor de vrouw niet voldoende. Tut, tut, tut, tut. We lieten de vrouw links liggen en liepen het binnenplein op.

Grote stukken gebroken tegels lagen op de grond van het binnenplein, waardoor we goed moesten oppassen waar we liepen. Langs de muren liep een verhoogd pad. Een mix van toeristen en de lokale bevolking zat op de rand van dat pad te wachten totdat de dienst was afgelopen. Het zou zeker nog een uur duren. Maaike en ik liepen een rondje en besloten ook op de rand te zitten. In de tijd die we moesten doden maakten we veel foto’s met het idee die thuis op de iPad leuk te bewerken. Rechts van ons stond een groepje Franse meisjes te praten. Ze stonden er nog bloter bij dan Maaike. De mouwen van hun T-shirts waren opgerold en het veel te korte broekje kwam net onder het T-shirt vandaan. Gek dat zij vrij rond mogen lopen, terwijl Maaike werd weggekeken. Het is vreemd verdeeld. Nadat de dienst was afgelopen mochten we naar binnen. Dat had zeker wat voeten in de aarde.

Bij de ingang van de Moskee werden we weggestuurd. Alleen Moslims mochten daar naar binnen. Een ander wees ons erop dat we via de uitgang naar binnen mochten. Op een gegeven moment was ik helemaal verdwaald in de handgebaren dat ik niet meer wist hoe en of ik wel naar binnen mocht. Aan de rechterkant liepen mensen op sokken de moskee binnen en droegen hun schoenen in plastikzakjes. Tussen de in- en de uitgang stond een grote kist met deze plasticzakken. Van die goedkopen prullen die ze alleen op de markt en in voordeelwinkels nog mee durven geven. Aangezien het niet echt duidelijk was of mijn schoenen verplicht uit moesten en waar ik ze moest laten, kwam vanuit het niets het idee om die plasticzakjes over mijn schoenen te trekken en ze vast te knopen. Dan hoefde ik ook niet moeilijk te doen. Ik zag het al voor me: schaatsend op plastikzakjes door de moskee, moet ik alleen wel de juiste baan hebben. Gelukkig werd ons uiteindelijk duidelijk dat we via de uitgang naar binnen moesten.

Maaike moest vanaf de grond de leen-rolstoel in klimmen die op een verhoging stond. Haar schoenen mochten het reine gedeelte niet aanraken. Lastig, lastig. Ik trok de eerste schoen uit en zette mijn voet op de verhoging. Vervolgens kon de ander uit en verdwenen beide schoenen in de zak. Het logge geval waar Maaike in zat duwde ik met moeite naar binnen. De banden rolden stroef over het rode bloemetjes tapijt. Binnen in de moskee werden we overvallen door de meest onaangename verrassing van de vakantie. Het was wel te verwachten, maar ik had het niet zien aankomen. Bedwelmd door de geur van 1001 zweetvoeten moesten we even op adem komen. Duizend-en-één zweetvoeten, dat is nog erger dan de kleedkamers op mijn werk. Niet te zuinig. Daar kan geen geurvreter tegen op. Het stonk, het riekte, duizenden rottende voeten, marcherend over het rode tapijt. Gelukkig vonden we de binnenkant van de moskee niet heel bijzonder, dus we stonden snel weer buiten: happend naar verse lucht.

Buiten de moskee kochten we een flesje water en aten we wat mueslirepen. Het was even ons bijkom-momentje. Na alle moeite die we hadden genomen bij de Blauwe Moskee te komen, gingen we na het bezoek vrijwel gelijk weer terug naar het hotel. We besloten de grote weg te volgen in de hoop sneller en makkelijker de weg te vinden. De zon brandde op ons hoofd en we werden door diverse horeca-mannen links en rechts aangesproken. Stug liep ik door. Vrij aan het begin stapte een man op Maaike af. Hij keek haar aan met een smerige en ondeugende, maar tevens uitnodigende blik en sprak de woorden: “Can I take you to my candy shop?” We keken elkaar aan en wisten niet hoe gauw we moesten doorlopen… lachen. Even verderop werd ze weer benaderend. Een jonge man wilde weten of haar blauwe ogen wel echt waren. Waar halen ze het toch vandaan? De vakantie is inmiddels al even voorbij en ik ben er nog steeds niet achter.

In het hotel wilde we uitleg over de douche, we hadden al flink lopen pielen, maar we snapten er beide geen hol van. Na een telefoontje kwam er een servicepersoontje. De man snapte de ballen niet van onze gebaren en uitleg en het enige dat hij zei was dat we een stop konden krijgen. Dat wilden we niet. De douche moest aan! Na flink aandringen en langdurig handgebaren begreep hij wat we wilden en legde uit hoe de douche werkte. We wilde hem bedanken, maar hij was nog niet klaar bleek al gauw. We moesten nog een stop hebben. Nee! Dat hoefde niet. Maar voor we hem tegen konden houden was hij al weg om de stop – die we niet wilden – te halen. Vijf minuten verstreken. Tien minuten. Twintig. De man kwam niet terug. We waren het wachten zat en besloten ons om te kleden en naar het zwembad te gaan. Jammer dan, ramadan.

Het was aardig druk op het dakterras, maar we konden gelukkig een plekje vinden om te liggen zonnen. We smeerden ons goed in en genoten van de warme stralen op onze bleke huid. Er waren veel verschillende mensen bij het zwembad. Sommige zouden we de komende dagen weer treffen, anderen zagen we nooit meer terug. Vlakbij onze ligbedden stond een man driftig te bellen. Hij was zo druk aan het converseren dat zijn rugspier op het ritme mee bewoog. Zoiets had ik nog nooit gezien. Zelfs logopediste drs. M.H.J. Plant herkende de bewegende rugspier niet. Dat zal waarschijnlijk wel komen door al het mannelijk schoon in het zwembad en de kletsnatte wasbordjes die haar afleidden.

Een paar duiken in het zwembad later bewogen we ons weer richting de hotelkamer om even een frisse douche te nemen. Maaike sprong als eerste onder de douche in de jacuzzi. Intussen zat ik rustig the what’s appen vanaf mijn bed. Ik stuurde vrienden wat foto’s van de Blauwe Moskee en keek op mijn telefoon of ik nieuwe mailtjes had. Ook belde ik even met mijn moeder, omdat ik eindelijk weer voldoende bereik had. Vodafone lag er vrijwel de hele dag eruit. “Chris!!!”, schreeuwde Maaike plotseling vanuit de badkamer, gevolgd door een aantal pijnkreten. “Auw, auw, auw.” Kokend water stroomde uit de kraan en de knoppen waren gloeiend heet geworden. De kuip van de jacuzzi vulde zich met brandend water. Maaike kon geen kant op. Alsof er een wonder gebeurde, wist ze zich uit deze benarde positie te redden. Het gevolg was een scala aan blauwe plekken en verbrande knieën. Maaike wist het zeker: de kraan was kut en ze zou deze vakantie er nooit meer gebruik van maken. De rest van de avond vervloekte ze deze duistere douche.

Nadat ik het zwembadwater van mijn lichaam had gewassen onder de douche was het tijd om een hapje te eten. Ik pakte passleutel van de tafel en trok de deur achter ons dicht. Op weg naar het hotel hadden we een Burger King gezien en daar hadden we heel veel zin in. Bij de uitgang van het hotel werden we geholpen. De man ondersteunde Maaike bij het afdalen van de trap. Halverwege ging echter zijn telefoon en was de aandacht compleet verdwenen. Zijn mobiel was blijkbaar belangrijker dan de service richting de klant. Dat had ik nog nooit meegemaakt: dat je tijdens het helpen je mobiel gaat pakken. Ik wist dat deze mobiele media onmisbaar zijn geworden, maar zo onmisbaar? Kennelijk.

Het begrip eten ging de gehele vakantie hand in hand met de lokale bevolking. De pijler voor goed eten was namelijk: als de lokale bevolking er eet, dan moet het wel goed zijn. En dat was ook bij de Burger King het geval. Dus het was veilig volgens Maaike. We moesten wel een flinke trap op voor we binnen waren, maar niets was erger dan de levensgevaarlijke uitdaging die we in Parijs hebben meegemaakt. Een overwinning die ik wellicht nog vaker zal noemen. Ik ben zo trots op mezelf. Dat ik daar geen medaille voor heb gekregen, snap ik nog steeds niet. Heel teleurstellend.

Na het eten wilden we direct terug naar het hotel. We konden natuurlijk de halal-muziek (zoals ik het voor het gemak noemde) niet missen. Via de trap klauterden we weer naar binnen, namen de zweet-lift naar boven en liepen naar onze kamer. Ik haalde de pas door de lezer. Het bleef stil. Ik haalde de pas weer door de lezer. Stil. Maaike en ik keken elkaar vragend aan. Nog een keer. Stil. De deur ging niet open. Ik besloot naar beneden te gaan en bij de balie te informeren over het defect. Ik liet Maaike achter. Bij de receptie legde ik het probleem uit. Nou ja… ik deed een poging. Het verstaan van de Engelse taal was nog een aardig probleem. Mijn lange uitleg over een pas die defect was werkte niet. Dus ik in staccato: “pass – doesn’t work – can’t enter room”. De man keek me vragend aan. “Broken!” Ik zwaaide driftig met de pas. Er kwam een glimp van begrip. “Room – No Entry”. De man nam de pas aan en vroeg me om welke kamer het ging. Daarna was het zo geregeld.

Geen zin om de trap te nemen, dus ik wachtte op de lift. Ik staarde schuin naar de lift en de vloer. Ik merkte dat er iemand naast me was komen staan. “Hello”, zei een zachte stem, zacht als een weeïge avocado. Een beetje hijgerig en een poging tot vaag-romantisch. Ik keek omhoog langs een zwarte broek, een wit overhemd en las ‘Mehmet’ op zijn naambordje. De smerige glimlach van de ober die we gisteren ontmoet hadden stond wijduit en hij kwam dicht bij mij staan. Ik glimlachte ongemakkelijk. Hij gaf een blijk van herkenning en zijn mond ging open. Hij wilde woorden vormen. Het ging allemaal zo snel en voor ik het wist… “Lekker, lekker.” Ongeduldig drukte ik nog een keer op de knop van de liftdeur. Heb ik dat. Niet veel later ging de deur open en ik vluchtte de lift in. Hij stapte ook naar binnen en de deuren sloten. De hele minuut die het duurde voor ik boven was, leek wel een eeuwigheid. Hij stond dicht naast me, glimlachte en vroeg met zijn avocado stem hoe het met me ging. Ik antwoorde kortaf, maar dat leek hij niet te merken. Toen uiteindelijk de deuren open gingen wenste ik hem een fijne avond en liep naar de kamer. Ik haalde de pas snel door de lezer. Bliep. De deur ging open.

We waren de kamer nog niet eens binnen of er kwam een volgend mysterie aan het licht. Op een van de tafels lag een pasje. Precies dezelfde als ik al in mijn handen had. Hoe zou die daar nou gekomen zijn? Waarschijnlijk de schoonmakers. Dus ik weer naar beneden, maar het was moeite om niets. Het hele verhaal van dubbele passen kwam totaal niet over. Hopeloos. Ik zuchtte. Snel was ik weer op de kamer. Aangezien er nog tijd was, zochten we op de iPad wat de halal-muziek betekende en wat de logica was achter de belachelijke tijdstippen. Het bleek dat het geluid een oproep tot gebed was en dat de tijdstippen bepaald werden door de stand van de zon. Hadden we toch mooi wat geleerd op deze dag. Een vakantie kan dus toch zowel leuk als leerzaam zijn. Nog snel voor ons dagelijks ritueel deed ik wat boodschappen.

Op het dakterras genoten we met een glas cola van het oproep tot gebed. Na afloop dronk ik snel mijn glas leeg en haastte mij naar de hotelkamer. Mijn blaas hield het niet meer. Maaike bleef zielig in haar uppie achter. Gelukkig (ahum) voor haar zou dat niet lang duren. Ze volgde mij gauw naar beneden, maar werd tegengehouden. Een van de werknemers wilde haar helpen met de paar treden. Hij zag een kans om deze mooie dame te beminnen en greep deze. Voorzichtig informeerde hij naar relationele status.

“Is that your boyfriend?”, vroeg de man.

Maaike was er helemaal klaar mee en greep op haar beurt haar kans. Volmondig zei ze: NEE! En daarmee opende ze een deur voor de weinig interessante ober. Ze moest er niet aan denken. Al was ik de laatste man op aarde. No way, Jose. De man pakt Maaike beet om haar te helpen. Het schoot echter geen meter op. Tot haar grote ergernis pakte hij haar veel te dretterig vast. Dat had best wat hardhandiger gemogen. Als dit hulp was, kon ze het beter alleen doen. De ober liet Maaike ook minder betalen voor de drankjes en daarmee was het toch overduidelijk… hij vond haar lekker, lekker. (FYI, het was niet Mehmet die haar hielp) Terug in de hotelkamer deed ze haar beklag over de rare ober. We kletsten nog wat en deden het licht uit. Het was mooi geweest. Morgen weer een dag.


Plaats een reactie

Velden gemarkeerd met een * zijn verplicht