Het porno hotel

Geschreven door Chris op 13 juli 2011


ISTANBUL – IJsland of Istanbul? Natuur of Cultuur? Het leek dit jaar een onmogelijke keuze. Beide bestemmingen boeide mij om uiteenlopende redenen. Toch moest er een keuze vallen. Waarom viel deze uiteindelijk toch op Istanbul en niet op IJsland?

IJsland heeft een prachtige natuur, maar vraagt eigenlijk om een autovakantie zodat je ook de minder toeristische locaties kan bewonderen. Istanbul heeft een rijke en bijzondere cultuur, maar is niet bepaald rolstoelvriendelijk. De stad is gebouwd op zeven heuvels dus dat zou een vakantie van zweten en spierpijn worden.

Maaike en ik zetten de voor- en nadelen op een rijtje en zeverde nog een tijdje voort. Uiteindelijk hebben we toch gekozen voor de klim en klauter vakantie in Istanbul en dan volgend jaar IJsland te bewonderen. Met een extra jaar rijervaring en een full time baan rijker zou dat allemaal wat makkelijker gaan in 2012.

Twee jaar lang hadden de ouders van Maaike ons weggebracht naar Schiphol. Nu was het de tijd voor mijn ouders om hun plicht te vervullen… of ze wilden of niet. Aan hun haren sleurden we ze mee naar Schiphol. Drama was het. […] Nee, nee. Het ging allemaal heel gemakkelijk. Ook het inleveren van de koffers ging boven verwachting snel. Er waren vakanties dat het veel moeizamer ging, dat verschillende toeristen druk waren met treuzelen en koffers openmaken vlak voor de incheckbalie.

Dat is een fenomeen dat ik nooit begrepen heb. Waarom maken mensen – met name Aziaten – op de meest onmogelijke momenten op nog onmogelijkere locaties hun koffers open om iets te zoeken wat uiteraard onmogelijk te vinden is. Het lijkt wel alsof alle Aziaten gezamenlijk besloten hebben op vluchthavens andere toeristen te irriteren door uitgebreid hun koffers door te spitten. Of ze daadwerkelijk iets zoeken of vinden is mij nog steeds een raadsel. Verdacht is het in ieder geval wel.

Vanzelfsprekend gaat er altijd iets mis als je op vakantie gaat. Sta je niet uren te wachten bij de incheckbalie, dan ben je wel weer iets kwijt. In ons geval was dat mijn vader. Spoorloos was hij, nergens te bekennen. Maaike en ik wachtten aan de zijkant en keken uit over de menigte. Gehurkt zat ik naast de rolstoel tot mijn kuiten verkrampt in de stress schoten en ik weer moest opstaan.

Intussen was mijn moeder alle logische plekken aan het afzoeken. Als twee Indiaantjes stonden we op de uitkijk, maar er was geen spoor van mijn vader. Waar kon hij toch zijn? Het duurden niet lang of deze vraag werd beantwoord. Recht voor ons, op twaalf uur, stond hij te wachten. Argeloos.

Traditiegetrouw namen we nog een drankje voor we door de gate gingen. Met zijn vieren zaten we aan een tafel in Juggle’s Juice Bar. Schuin achter mij genoten een paar mannen van hun portie ontbijtgranen van de tap. Voor mij stond een dampende kop thee met een verzopen koekje ernaast.

Het was nog vrij rustig op Schiphol. Niemand kwam terug van vakantie. De deuren met het Delftsblauwe stelletje bleven gesloten. Een kop thee, een flinke plas en een paspoortcontrole later bevonden Maaike en ik ons achter de douane. Mijn ouders hadden we uitgezwaaid en ze waren waarschijnlijk al weer richting de auto.

We passeerden vele toeristen op weg naar de gate. “Zouden ze nog steeds ‘mind your step’ roepen?”, vroeg Maaike nieuwsgierig. Na twee jaar afwezigheden van Schiphol was ze toch benieuwd of er iets veranderd was. De eerste lopende band kwam in zicht. Nog niets te horen. We stapten er op. Boem. Zij in de rolstoel en ik erachter. We rolden zo door de vluchthaven maar het bleef akelig stil… toen plots… ‘mind your step’. De waarschuwing was er nog steeds – ik had ook niet anders verwacht – het leek alleen wel of het bandje veel zachter stond. De beroemde kreet was toch een stuk minder indrukwekkend dan we ons herinnerde. (Waar we ons al niet mee bezig houden). De stem van Schiphol was saai en uitgeblust.

Het was druk bij de gate, maar we mochten nog niet het vliegtuig in. Dat was geen verrassing. Het verbaasde ons echter dat toen de deuren open gingen, wij niet als eerste naar binnen mochten. Het vliegtuig liep vol en wij stonden nog te wachten. Dat zijn toch geen manieren?

Het zou voor de afwisseling leuk zijn als dit echt gebeurd was. Net als voorgaande jaren mochten wij uiteraard als eerste naar binnen. Bij de gate werd mij vriendelijk doch dwingend verzocht de rolstoel weer terug te brengen als ik Maaike had afgezet. Blijkbaar was het voor de KLM te veel moeite zelf de stoel op te halen. Het moest natuurlijk niet op service gaan lijken. Ze zijn toch niet gek. Naast service bleek bij KLM communicatie ook niet het sterkste punt te zijn. Nadat ik Maaike had afgeleverd, werd mij verboden de rolstoel terug naar boven te brengen. “Zo gaan we dat niet doen”, zei de gay purser op leeftijd. “Daar zorg ik wel voor.” Zodoende kon ik meteen instappen.

Op het raam naast onze stoelen zaten flinke krassen en dikke regendruppels. Het was het begin van deze slechte zomer in Nederland. Het zicht was redelijke dus probeerden we traditiegetrouw de koffers te volgen. Nou ja, dat was eigenlijke Maaike’s hobby. Ze keek aandachtig uit het raam terwijl ik in mijn tas rommelde. Intussen was er een flink gevaarte naast mij komen zitten. Zijn dikke bovenbenen drukten tegen mij aan. Ik voelde mij vies en benauwd. Zijn vriend zat aan de andere kant. Arme zielen, gescheiden door het verlichtte gangpad.

“Volgens mij is dat onze koffer”, riep Maaike.
Ik leunde over haar heen en keek door de regendruppels naar beneden.
“Oh nee, toch niet.”
Ik zuchtte en ging weer zitten. Waarom heb ik altijd de pech dat er of dikke of smerige mensen naast mij gaan zitten. In dit geval was het dubbel pech. Als dat straks zou gaan eten… ik moest er niet aan denken.
“Ik zie de koffer.”
Vanuit mijn stoel – alsof het vanzelf ging – veerde ik op en keek uit het raam. “Nee, dat is hem niet.” Ik liet mij weer zakken.

De harige beer was druk aan het converseren met zijn vriend. Soms heb je bij stelletjes het gevoel dat de deksel niet op de pot past; een gevoel van onoverbrugbare verschillen. Dat je, je constant afvraagt: wat moeten die twee met elkaar; dat je denk zij is veel te knap voor hem.

Stel je voor: je ziet een prachtige vrouw – lange benen, grote borsten, zwoele lippen, je kent het wel, het type Yolante Sneider Cabau maar dan mooi – met een afzichtelijke vent lopen. Zo’n uitgezakte slungel met een pokdalig gezicht; iemand die bij het uitkiezen van eigenlijk alles niet eens in de rij heeft gestaan. Het type dat overal te laat voor was, het type dat eigenlijk niet eens in productie genomen had mogen worden. The beauty and the Beast maar dan veel erger. Dat was dus bij dit stel niet van toepassing. Die enorme verschillen zag ik totaal niet. Ze waren beide even lelijk en eng. Bibber.

Het vliegtuig was een grote kinderspeelplaats: overal geschreeuw en gejank. Kinderen die knoeien en ouders die steeds heen en weer rennen met pleisters, spuugdoekjes en eten. Nooit eerder heb ik dat in deze mate meegemaakt. Het was goed voor een flinke portie ergernis en irritatie. Achter mij zat een blaag zo hard te krijsen dat ik bijna mijn focaccia met mozzarella en tomaat door zijn strot wilde douwen. Zonde, ik weet het, maar er kwam geen einde aan de geluidsoverlast. Ouders laat dit een waarschuwing zijn: voed je kinderen goed op of ga gewoon niet op vakantie.

Elk jaar is het weer een verrassing in welke toestand de rolstoel uit het laadruim komt. Mist ie een wiel, is de voetenplank verbogen of is de rem afgebroken? Je weet het nooit. Dat de rolstoel al veel te voorduren heeft gehad is zeker. Bij aankomst in Istanbul stond hij al op Maaike te wachten. Er miste geen enkele onderdeel; er was er zelfs iets aan toegevoegd, namelijk een begeleider. Ik mocht de rolstoel niet duwen. De Turkse man nam Maaike mee en ik hobbelde er achteraan, geen idee waar we naartoe gingen. In gebrekkig Engels maakte de man duidelijk dat we op weg waren naar de visumbalie. Vijftien euro armer scheurde de man ons door de douane en dropte ons bij de bagageband. De koffer kwam snel waardoor we na een snelle plas vrij vlot bij de subway waren.

Speciaal voor de mindervalide c.q. gehandicapte medemens was er een rode paal in het leven geroepen. Deze telefoonpaal fungeerde als oproepmiddel voor assistentie. Maaike belde voor informatie en een mannetje zou komen. Na een tijdje kwam er een man aanlopen. Hij had een net pak aan. Keurig. Hij liep onze kant op en sloeg rechts af. Dat was hem dus niet. Vele mannen passeerden ons, maar geen assistentie. We zouden hem nog vijf minuten geven en anders zouden we desnoods zwart reizen of met rolstoel en al de trap af gaan… wat dan ook… bij het hotel zouden we komen. We hadden nog geen idee wat ons allemaal te wachten stond en dat was maar goed ook. De vijf minuten vlogen voorbij en de volgende vijftien ook. In die tijd kwamen verschillende mensen vragen wat er aan de hand was – waaronder een man in een transportwagentje – maan niemand bracht ons ook maar een stap dichterbij het hotel. Uiteindelijk kwam er hulp aangesneld. Spijtig dat hij geen enkel Engels woord begreep dus moet hij opnieuw assistentie halen.

In plaats van een ticket moest ik een token kopen, omgerekend kostte die maar 75 cent. Maaike mocht gratis, dus samen voor nog geen veertig cent per persoon was natuurlijk een koopje. De metro bracht ons naar Aksaray, een van de bekendere metrostations van Istanbul. De inhoud van elke wagon was vrij gevarieerd; Istanbul leek op het eerste gezicht inderdaad een wereldstad. Voor mij zaten twee jongens. De linker: kort zwart haar en een baardje. Naast hem zat een lange krullenbol. Naast mij rook ik een enorm zure en rottende lucht waardoor ik genoodzaakt was om door mijn mond te ademen. Altijd heb ik pech met wat er naast mij komt zitten. Ik had de pratende riolering graag een kauwgummi aangeboden, maar ik was veel te druk met niet ruiken. Vanuit het niets sloot de man voor mij zijn ogen en bad tot Allah. Na het gebed kreeg hij complimenten van zijn reismaatjes. Ik stond wel even te kijken terwijl ik krampachtig de toegang tot mijn neus probeerde dicht te houden. Wat een lucht.

De stralende zon stond hoog aan de hemel en brandde flink op onze dak toen we weer het daglicht zagen. Ik haalde het Mini Capitool uit mijn rugzak en vouwde de kaart open. Ik had nog geen letter gelezen of er kwam al een man op mij af. Of ik zijn hulp wilde. Nee, natuurlijk niet. Ik knikte en wees de straat aan waar we moesten zijn. Hij brabbelde over heuvels en deed alsof ik het volkomen begreep. Met de koffer in de ene hand en de rolstoel in de andere liep ik een stukje door. Ik speurde de omgeving af op helpgrage Turken en wist een veilig hoekje te vinden. Opnieuw vouwde ik de kaart open en vond de route naar het hotel.

De weg was geasfalteerd dus de rolstoel ging er makkelijk overheen. Er was vooralsnog geen kinderkopje te bekennen. Dat had ik niet moeten denken wat de eerste zijstraat die we moesten nemen was er helemaal mee bezaaid. Gelukkig waren we snel de straat door en kon de tocht verder over het asfalt. Het eerste stuk was nog wat lastig: er waren grote graten in de weg en de stoep was scheef en kapot. We moesten ons dus aardig manoeuvreren om weer op het asfalt te komen. Als het zo verder zou gaan tot aan het hotel zou ik me prima redden en zou de hitte ook niet uitmaken. Helaas mocht het niet zo zijn. Nog voor ik mijn voeten op het asfalt zette zag ik een enorme heuvel opdoemen vanachter de met smog besmeurde luifels. Istanbul is gebouwd op zeven heuvels en dat heb ik geweten.

Met meer dan twintig kilo in de ene hand en ruim zestig kilo in de andere sleepte ik mijn lijf de heuvel op. Stapje voor stapje duwde ik de rolstoel omhoog. Het ging moeizaam, maar het ging. De zon was aardig fel en ik voelde natte stroompjes over mijn gezicht lopen. Mijn haar plakte vast aan mijn hoofd. Als het zo door zou gaan, moest ik veel pauzes nemen. Op de hoek van een straat zette ik Maaike op de rem en rustte uit op een stoeprand. Ik probeerde bij te komen van de klim en bereidde mezelf alvast voor op wat er nog komen moest. Het water dat we op het vliegveld hadden gekocht, was niet koud meer maar het was nog goed genoeg. Ik nam een slok en nog een en nog een. Man, wat had ik het heet.

De volgende etappe was nog een stuk zwaarder. Al gauw merkte ik dat ik nog niet lang genoeg gerust had. Mijn kop stond op ontploffen en ik voelde de spieren in mijn benen trekken. De helling was zo steil dat ik niet meer rechtstandig achter de rolstoel kon lopen. Met elke stap zocht ik een andere, minder belastende manier om de heuvel op te klimmen. Maaike nam de koffer van mij over en hield hem voor zich uit. Met twee handen duwde ik haar de heuvel op. Meer dan tachtig kilo werkte zich tegen mij en wilde met een noodgang naar beneden donderen en ik moest het tegenhouden. Intussen liep ik al op mijn tenen. Het zweet kwam overal vandaan, maar het kon mij niets meer schelen. Lopen zou ik en hoe. Onverbeterlijk liep ik stug door en klauterde zo steeds verder de heuvel op. We waren het beide zat, maar we moesten doorzetten. Ook voor Maaike was het geen pretje. Hoe zou jij het vinden als iemand steeds in je rug loopt te duwen terwijl je een koffer voor je uit moet houden?

Bovenaan de heuvel moest ik even tot rust komen. We namen nog even wat te drinken voor we de wandeltocht hervatte. We zaten bij een prachtig parkje met mooie groene bomen en speelplaatsjes. Recht voor ons stond een oude aquaduct. Vanaf het park konden we ook de eerste moskeeën zien. Dit zou vanaf deze dag ons dagelijks straatbeeld worden. De volgende stop was ons hotel. Halverwege de wandeling werden we opgeschrikt door een hels kabaal. Eerst wisten we niet waar het vandaan kwam, maar al gauw begon het te dagen. De moskee. Het was gebedstijd. Van alle kanten schelden de gebeden om ons heel. Het leek wel het einde van de wereld. Het was behoorlijk intimiderend. Zeker als je nog nooit zoiets gehoord hebt.

Het personeel van ons hotel (Celal Aga Konagi) was erg behulpzaam, maar totaal incompetent. Ze wisten niet goed wat ze met de rolstoel aan moesten waardoor we met een hoop geklungel het hotel binnen kwamen. We checkten meteen in en kregen kamer 2004 toegewezen. Een beetje jammer dat het niet kamer 2011 kon zijn. Nieuwsgierig dat we waren inspecteerden we meteen de kamer. Het was een enorme balzaal met een Turkse tint. Bij binnenkomst moesten we eerst door een smalle hal. Links was de badkamer en rechtdoor het slaap gedeelte. In de kamer stonden twee enorme bedden met zware rode spreien met fransjes eraan. We hadden een Frans balkon met groteske draperieën ervoor. Naast de bedden was een zithoek met twee stoelen en een tafeltje en aan de muur een kaptafel. De slaapkamer was gescheiden van de badkamer met een enorm groot raam. Als je wilde kon je gezellig kijken hoe de ander zijn oksels staat te wassen. Gelukkig zaten er luxaflex voor het raam die af en toe een totaal eigen leven leidde.

Maaike settelde zich even in de badkamer om zich op te frissen. Na enige tijd hoorde ik haar roepen vanuit het hok. Het toilet bleek een “douche” te hebben voor je erogene zone, een vaginale douche. Dit had ik nog nooit meegemaakt. En dat was nog niet alles. Naast de boel goed doorspoelen kon het apparaat ook de hele mikmak effectief nadrogen. Op een bordje naast de wc stond uitgebreid hoe je de ladyshower kon gebruiken. Hilarisch gewoon. Dat bedenk je toch niet? Ga je naar de toilet wordt je meteen van voor en achter even goed doorgespoeld. For ultimate pleasure. Tjonge. Wat is dit voor een hotel? Dat was nog niet alles. Tijdens de inspectie van de kamer vond ik in de minibar een pak maandverband. In de koelkast nota bene. Dat verzin je toch niet? Naast dat enorme groene pak lag ook een condoom. Een condoom! Wat denken ze wel niet dat we van plan zijn? Straks zouden we nog sekspeeltjes onder het bed vinden. Wat moest dit voorstellen? Het leek wel een porno hotel. Echt waar. Volgens mij zouden de bedden de hele kamer verlichten als we er een black light op zouden schijnen. Dan moet je maar niet nadenken over wat er allemaal in die jacuzzi’s gebeurd is en al helemaal niet met een programma als ‘Red mijn vakantie’ in het achterhoofd.

Onze magen rommelden al flink en het was tijd voor een lekkere hap. Bij de receptie informeerden we naar een geschikte plek om te eten. Enthousiast vertelde de man over een fantastisch visrestaurant bij de Bosporus. Hij had ons flink geënthousiasmeerd dus besloten we de eerste avond daar te eten. We waren beide benieuwd naar het uitzicht over het water. Tegen 19:00 werden we opgepikt door een louche auto. Meteen borrelde alle gevoelens die ik had bij de film Hostel naar boven; ik had er geen goed gevoel bij. Dat aangeleerde alarm ging keihard af: niet bij vreemde mannen in de auto stappen, niet bij vreemde mannen in de auto stappen. De gedachte dat het geregeld was door het hotel onderdrukte dat alarm en ik stapte in. Het moest gewoon goed gaan.

De deuren van de auto waren nog niet dicht of de bestuurder scheurde weg. Als een idioot reed hij bij ons hotel vandaan, onder het aquaduct door, over de brug, door diverse achterafstraatjes naar een aftands en afgelegen dok aan de Bosporus. De huizen waren verpauperd en er liepen wilde honden en katten rond. Hengels stonden uit bij de kade en verkopers liepen rond met hun koopwaar. Het voelde alles behalve veilig. Maaike werd in een rolstoel gezet en meegenomen. Ik mocht haar niet duwen, daar zorgen de mannen wel voor. Wat was dit? Haastig liep ik achter de man aan. Ik kon moeilijk achterblijven. Hij leidde ons langs roestige balustrades, kapotte stoelen en donkere steegjes. Ogen volgden ons waar we gingen. We liepen door een donkere gang en ik voelde de metalen vloer onder mijn voeten bewegen. Overal lage lege flessen en andere troep op de grond. Aan het einde van de gang was het licht. Ik hoorde de zee ruizen en de meeuwen mekkeren. De man kwam tot stilstand en ik nam de omgeving in mij op. We stonden midden op een simpel terras met prachtig uitzicht over de Bosporus. We waren op de plaats van bestemming. Als we niet met de shuttle waren gegaan, hadden we dit nooit ervaren.

Aan tafel vertelde Maaike dat ze in een volledige cultuurshock was. Ook ik wist nog niet goed wat ik van Istanbul vond. Het verschilde zo erg van onze voorgaande vakanties dat we ons afvroegen of we wel konden wennen. Aan de andere kant vond ik het ook wel heerlijk avontuurlijk. Tot op zekere hoogte dan. Vanaf een houten kar in het gangpad staarde een enorme vis mij aan. Een ober probeerde een vis van de kar te verkopen aan een klant. Hij pakte de baars vast in zijn ogen. Hij drukte de oogballen met zijn vingertoppen naar binnen alsof je een tumtum platdrukt tussen je vingers. Vol afschuw keek ik naar het tafereel. Ik had al besloten: voor mij geen vis. De man legde de vis op de weegschaal. Dat zal vast een duur grapje worden. De houten kar kwam ook bij onze tafel, maar we bedankten vrienden. Voor ons gewoon lekker simpel rund met een frietje.

Het etentje sloten we af met een kopje Turkse thee en we werden naderhand netjes naar het hotel gebracht. We besloten alvast een kijkje op het dak te nemen. Het zwembad was al gesloten, maar je kon wel heerlijk op het dakterras zitten. We werden geholpen door een ogenschijnlijk charmante Turk. Hij vroeg geïnteresseerd waar we vandaan kwam. Op het moment dat hij begreep dat wij Nederlanders waren, vertelde hij dat ie een Nederlandse vriendin heeft gehad en dat hij een paar woordjes Nederlands kende. Uiteraard waren we nieuwsgierig. Veel was het niet. Met een ondeugende blik in zijn ogen en een grijs die zijn gele tanden ontblootte zei hij de woorden: lekker, lekker. Wat een viespeuk. Vanaf dat moment hoorden we niets anders meer. Echt, wat een pornohotel. We dronken een zoete cocktail op het dakterras en luisterden nog eenmaal naar de oproepen uit de diverse moskeeën rondom ons hotel.


Plaats een reactie

Velden gemarkeerd met een * zijn verplicht