Het juk van de rouw-bots

Geschreven door Chris op 20 mei 2013


De een stort zich hysterisch ter aarde. De ander verandert in een oase van innerlijke rust. Rouw en verdriet hebben een rare uitwerking op de mens. Onvoorspelbaarder dan bepaalde drugs. Mijn familie had na het overlijden van mijn oma ogenschijnlijk last van emotionele uitdroging. Niemand zei iets. Contact maken was onmogelijk. Ik voelde me even heel eenzaam.

Er zitten mensen aan tafel. Aan mijn keukentafel. Ze zien er druk uit, maar er gebeurt niets. Helemaal niets. Mijn aanwezigheid lijkt geen indruk te maken. Ben ik er wel? Ik probeer ze in de ogen te kijken, maar ik word vervuld met leegte. Diepe, zwarte, donkere leegte. Ik schijn deze personen te kennen, maar ik herken ze niet. Wie zijn deze mensen?

Dichterbij komen, brengt geen rimpels in deze wateren. Het is stil, doodstil. Alleen het tikken van de toetsen galmt door deze fabriek. De keuken is niet meer. Weg. Er is alleen maar werk en geen plek voor emotie. Mijn leven is kleurloos geworden. En stil als een stomme film. Ik kijk toe en mag niet deelnemen. Ik kan niet deelnemen.

Zij die ik ooit familie noemde, zijn nu lege schellen geworden. Robots. Emotioneel leeg getrokken en volkomen in de ban van de naderende deadline. Het einde is gekomen en dan kun je maar een ding doen. Het verbaast me echter dat mij de toegang tot hun onderkomen is ontzegd. Waar ik ooit met open armen ben ontvangen, heerst nu afstand. Mag ik niks meer voelen? Willen zij – die rouwende robots – niets meer voelen?

De automatische piloot is ingeschakeld, de deur van onze harten afsloten. Waar zijn de mensen die ik zoek, de liefde waarnaar ik hunker, de troost die ik nodig heb – de troost die ik wil geven? Ik kan niet met deze waanzinnigheid. Hoe kan ik deze situatie met vriendelijkheid aanvaarden? De krankzinnigheid van dit moment drijft me naar gruwelijke wanhoopsdaden. Ik wil maar een ding: deze moordende stilte doorbreken. Al kost het al mijn verdriet.

Ik vecht mij door kabels van computers, over bergen van stoelen, door het afgrijzen van deze fabriek. Een weg baan ik mij naar de dochter die ooit mijn moeder was. Zodra mijn handen haar schouders raken, voel ik warmte: ze leeft op. Mama. Losgerukt uit het juk van dit geautomatiseerde rouwbot-leger. Mijn tranen wellen op en ik slik. De stilte keert terug in mij en ik voel me gelukkig met mijn verdriet. ‘Lieve mama, gecondoleerd.’ We zijn weer samen.

Er is ruimte, een kleine opening. Het werk valt stil en de aandacht is op mij gericht. Een raam waarin ik mijn familie weer herken is geopend. Ik grijp mijn kans en condoleer de mensen die ik liefheb voordat ze weer verdwijnen. En bij de laatste aanraking, de laatste kus, de laatste hand, voel ik de kilte intreden. Ik neem afscheid van mijn familie. Ik ben niet langer welkom hier.

Zijn mijn verwachtingen misschien te groot? Is mijn beeld van de werkelijkheid zo vertekent dat mijn wensen buiten de lijnen der verwachting treden? Zoek ik genegenheid die ik niet vinden mag? De dagen die volgden waren verwarrend en afstandelijk; een chaos waar ik niet mee om kon gaan. Zelfs de zomer van de begrafenis heeft geen warmte kunnen geven. En ik wacht nog steeds op dooi.


Plaats een reactie

Velden gemarkeerd met een * zijn verplicht